Announcing: BahaiPrayers.net


More Books by Oude Testament

OT 01 Genesis
OT 02 Exodus
OT 03 Leviticus
OT 04 Numeri
OT 05 Deuteronomium
OT 06 Jozua
OT 07 Richteren
OT 08 Ruth
OT 09 1Samuel
OT 10 2Samuel
OT 11-1Koningen
OT 12 2Koningen
OT 13 1Kronieken
OT 14 2Kronieken
OT 15 Ezra
OT 16 Nehemia
OT 17 Esther
OT 18 Job
OT 19 Psalmen
OT 20 Spreuken
OT 21 Prediker
OT 22 Hooglied
OT 23 Jesaja
OT 24 Jeremia
OT 25 Klaagliederen
OT 26 Ezechiel
OT 27 Daniël
OT 28 Hosea
OT 29 Joël
OT 30 Amos
OT 31 Obadja
OT 32 Jona
OT 33 Micha
OT 34 Nahum
OT 35 Habakuk
OT 36 Zephanja
OT 37 Haggaï
OT 38 Zacharia
OT 39 Maleachi
Free Interfaith Software

Web - Windows - iPhone








Oude Testament : OT 27 Daniël
Daniel 1

1:1 In het derde jaar der regering van Jojakim, den koning van Juda, kwam Nebukadnezar, de koning van Bábel, voor Jeruzalem en belegerde het.

1:2 En de Heer gaf Jojakim, den koning van Juda, in zijne hand en enige vaten van het huis Gods; deze liet hij brengen in het land Sinear, naar het huis zijns Gods, en hij bracht de vaten in de schatkamer zijns gods.

1:3 En de koning zeide tot Aspenaz, zijn oppersten kamerdienaar, dat hij enigen uit de kinderen Isra�ls, van koninklijken stam en van de rijksgroten zou medevoeren,

1:4 jongelingen, die niet gebrekkig waren, maar schoon, vernuftig, wijs, schrander en verstandig, die bekwaam waren aan 's konings hof te dienen; en dat men hen onderwijzen zou in het schrift en de taal der Chalde�n.

1:5 En de koning bepaalde voor hen, wat men hun van zijne spijs en van den wijn, dien hij zelf dronk, elken dag zou geven; opdat zij, alzo drie jaren opgevoed zijnde, daarna den koning zouden dienen.

1:6 Onder dezen waren Dani�l, Hananja, Misa�l en Azarja uit de kinderen van Juda.

1:7 En de opperste kamerdienaar gaf hun namen en noemde Dani�l Beltsazar en Hananja Sadrach en Misa�l Mesach en Azarja Abednego.

1:8 Dani�l nu besloot in zijn hart, dat hij zich met de spijs des konings en met den wijn, dien hij zelf dronk, niet zou verontreinigen; en hij verzocht den oppersten kamerdienaar, dat het hem vergund zou worden zich niet te verontreinigen.

1:9 En God gaf Dani�l, dat de opperste kamerdienaar hem gunstig en genadig werd.

1:10 Nochtans zeide deze tot hem: Ik vrees voor mijnen heer, den koning, die u uwe spijs en uwen drank besteld heeft; indien hij zag, dat uwe aangezichten treuriger waren dan die der andere jongelingen van uwen ouderdom, dan zoudt gij mijn hoofd bij den koning in gevaar brengen.

1:11 Toen sprak Dani�l tot den opziener, aan wiens zorg de opperste kamerdienaar Dani�l, Hananja, Misa�l en Azarja had toevertrouwd:

1:12 Neem slechts de proef met uwe knechten tien dagen lang en men geve ons moeskruid te eten en water te drinken;

1:13 en laat dan in uwe tegenwoordigheid onze gedaanten en de gedaante der jongelingen, die van des konings spijs eten, bezien, en doe alsdan met uwe knechten naar hetgeen gij bevinden zult.

1:14 En hij hoorde naar hen in deze zaak, en hij beproefde het met hen tien dagen lang.

1:15 En na die tien dagen waren zij schoner en beter in het vlees dan al de jongelingen, die van de spijs des konings aten.

1:16 Toen deed de opziener de voor hen bestemde spijs en drank weg en gaf hun moeskruid.

1:17 En God verleende aan deze vier jongelingen kennis en verstand in allerlei schrift en wetenschap en Dani�l gaf Hij verstand in alle gezichten en dromen.

1:18 En toen de tijd om was, waarna de koning bepaald had, dat zij tot hem moesten gebracht worden, bracht de opperste kamerdienaar hen voor Nebukadnezar

1:19 en de koning sprak met hen; en er werd onder hen allen geen gevonden, die Dani�l, Hananja, Misa�l en Azarja gelijk was; en zij werden des konings dienaars.

1:20 En de koning bevond hen in alle zaken, waarover hij hen ondervroeg, tienmaal kundiger en verstandiger dan alle sterrenwichelaars en wijzen in zijn gehele rijk.

1:21 En Dani�l beleefde het eerste jaar van koning Kores.

Daniel 2

2:1 In het tweede jaar der regering van Nebukadnezar, had Nebukadnezar een droom, waarvan hij verschrikte, zodat hij ontwaakte.

2:2 En hij gebood alle sterrenwichelaars en wijzen en tovenaars en Chalde�n bijeen te roepen, opdat zij den koning zijnen droom zouden zeggen; en zij kwamen en traden voor den koning.

2:3 En de koning sprak tot hen: Ik heb een droom gehad, die heeft mij verschrikt; en ik wilde gaarne weten wat voor een droom het geweest is.

2:4 Toen spraken de Chalde�n tot den koning in het Chaldeeuws: Heer koning, God verlene u een lang leven! Zeg uwen knechten den droom, zo zullen wij hem uitleggen.

2:5 De koning antwoordde en sprak tot de Chalde�n: Het is mij ontgaan; indien gij mij den droom niet zult te kennen geven en verklaren, zo zult gij geheel en al omkomen en uwe huizen zullen tot een puinhoop gemaakt worden;

2:6 maar indien gij mij den droom zult te kennen geven en uitleggen, zo zult gij geschenken, gaven en grote eer van mij ontvangen: derhalve zegt mij den droom en zijne betekenis.

2:7 Zij antwoordden weder en zeiden: Dat de koning zijnen knechten den droom verhale, zo zullen wij dien verklaren.

2:8 De koning antwoordde en sprak: Ik zie duidelijk, dat gij uitstel zoekt, vermits gij bespeurt, dat het mij ontgaan is;

2:9 maar indien gij mij den droom niet zegt, is uw vonnis hetzelfde, alsof gij ondernomen hadt leugens en verdichtsels voor mij te spreken, totdat de tijd verlopen zal zijn: daarom zegt mij den droom, dan kan ik merken, dat gij ook de betekenis treft.

2:10 Toen antwoordden de Chalde�n voor den koning en spraken tot hem: Er is geen mens op aarde, die zeggen kan hetgeen de koning eist; ook is er geen koning, hoe groot of machtig hij ook zijn moge, die zo iets ooit van enigen sterrenwichelaar, wijze of Chalde�r vergt;

2:11 want hetgeen de koning eist is te hoog, en er is ook geen ander, die het voor den koning zeggen kan dan de goden, die niet bij de mensen wonen.

2:12 Toen werd de koning zeer toornig en beval al de wijzen van Bábel om te brengen.

2:13 En het vonnis ging uit, dat men de wijzen zou doden; en men zocht ook Dani�l en zijne metgezellen om hen te doden.

2:14 Toen bracht Dani�l een verstandig voorstel in bij Arjoch, den oppersten rechter des konings, die uitgegaan was om de wijzen van Bábel te doden;

2:15 en hij begon en sprak tot Arjoch, des konings gemachtigde: Waarom is zulk een streng vonnis van den koning uitgegaan? En Arjoch gaf het aan Dani�l te kennen.

2:16 Toen ging Dani�l op, en bad den koning, dat hij hem uitstel wilde geven, opdat hij den koning de betekenis mocht zeggen.

2:17 En Dani�l ging naar zijn huis en gaf dat aan zijne metgezellen, Hananja, Misa�l en Arzarja, te kennen,

2:18 opdat zij den God des hemels om genade zouden smeken aangaande deze verborgen zaak, dat Dani�l en zijne metgezellen niet met de andere wijzen van Bábel mochten omkomen.

2:19 Toen werd aan Dani�l deze verborgen zaak door een gezicht des nachts geopenbaard; daarover loofde Dani�l den God des hemels;

2:20 Dani�l begon en sprak; Geloofd zij de naam Gods van eeuwigheid tot eeuwigheid, want zijn is de wijsheid en de macht.

2:21 Hij verandert tijden en gelegenheden, Hij zet koningen af en stelt koningen aan, Hij geeft den wijzen hunne wijsheid en den verstandigen hun verstand;

2:22 Hij openbaart wat diep verborgen is, Hij weet wat in de duisternis ligt, want bij hem is enkel licht.

2:23 Ik dank en loof U, God mijner vaderen, dat Gij mij wijsheid en macht verleent, en mij nu geopenbaard hebt, hetgeen wij van U gebeden hebben; want Gij hebt ons des konings zaak geopenbaard.

2:24 Toen ging Dani�l op tot Arjoch, die van den koning bevel had om de wijzen van Bábel om te brengen, en sprak tot hem aldus: Gij zult de wijzen van Bábel niet ombrengen; maar breng mij binnen bij den koning, ik zal den koning de betekenis zeggen.

2:25 Toen haastte Arjoch zich om Dani�l voor den koning te brengen en sprak tot hem aldus: Onder de gevangenen uit Juda is er een gevonden, die den koning de betekenis kan zeggen.

2:26 De koning antwoordde en sprak tot Dani�l, ook Belsazar genaamd: Zijt gij degene, die mij den droom, dien ik gezien heb, en zijne betekenis kan te kennen geven?

2:27 Dani�l antwoordde den koning en sprak: De verborgen zaak, die de koning eist van de wijzen, geleerden, sterrenwichelaars en waarzeggers, staat niet in hun vermogen om den koning te zeggen;

2:28 maar God in den hemel kan de verborgen dingen openbaren; die heeft koning Nebukadnezar te kennen gegeven wat in de toekomende tijden geschieden zal. Uw droom en uwe gezichten, toen gij sliept, zijn deze:

2:29 gij, o koning, dacht op uw leger, hoe het toch hierna zou gaan: en Hij, die verborgen zaken openbaart, heeft u te kennen gegeven hoe het zal gaan.

2:30 Nu is mij die verborgen zaak geopenbaard, niet door mijne wijsheid, als ware zij groter dan van allen, die leven, maar opdat den koning de betekenis zou worden te kennen gegeven en gij de gedachten van uw hart zoudt gewaarworden.

2:31 Gij, o koning, zaagt, en zie, een zeer groot en hoog beeld stond tegenover u, en het was verschrikkelijk om aan te zien.

2:32 Het hoofd van dat beeld was van fijn goud, zijne borst en armen waren van zilver, zijn buik en zijne lendenen waren van koper,

2:33 zijne schenkels waren van ijzer, zijne voeten waren ten dele van ijzer en ten dele van leem.

2:34 Dit zaagt gij aan, totdat er een steen zich losscheurde zonder handen, die sloeg dat beeld aan zijne voeten, die van ijzer en leem waren, en vergruisde die.

2:35 Toen werden te zamen vergruisd het ijzer, leem, koper, zilver en goud en werden als kaf op de dorsvloeren in den zomer, en de wind waaide ze weg, dat men ze nergens meer kon vinden; maar de steen, die het beeld sloeg, werd tot een groten berg, zodat hij de gehele aarde vervulde.

2:36 Dit is de droom; nu zullen wij de betekenis voor den koning zeggen:

2:37 Gij, koning, zijt een koning der koningen, wien de God des hemels het koninkrijk, de macht, de sterkte en de eer gegeven heeft;

2:38 en overal waar lieden wonen en waar dieren des velds en vogels des hemels zich ophouden, heeft Hij alles in uwe hand gegeven en aan uwe heerschappij onderworpen; gij zijt dat gouden hoofd.

2:39 Na u zal er een ander koninkrijk opkomen, minder dan het uwe; daarna het derde koninkrijk, dat van koper is, dat zal over alle landen heersen.

2:40 Het vierde zal hard zijn als ijzer; want, gelijk ijzer vergruist en klein maakt, ja gelijk ijzer alles verbrijzelt, zo zal het alles vergruizen en verbrijzelen.

2:41 Maar, wat aangaat, dat gij gezien hebt de voeten en de tenen ten dele van leem en ten dele van ijzer: dat zal een verdeeld koninkrijk zijn, doch er zal van de vastheid des ijzers inblijven, gelijk gij gezien hebt ijzer met leem vermengd.

2:42 En dat de tenen aan zijne voeten ten dele ijzer en ten dele leem zijn: dat zal ten dele een sterk en ten dele een zwak rijk zijn.

2:43 En dat gij gezien hebt ijzer met leem vermengd, zo zullen zij zich wel door onderlinge huwelijken vermengen, maar zij zullen zich echter niet aan elkander hechten, gelijk zich het ijzer met het leem niet vermengt.

2:44 Doch ten tijde van die koninkrijken zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, dat nimmermeer verstoord zal worden, en zijn koninkrijk zal op geen ander volk komen; het zal al deze koninkrijken vergruizen en vernielen, maar zelf zal het eeuwig blijven.

2:45 Gelijk gij gezien hebt een steen, zonder handen van den berg afgescheurd, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud vergruisde: alzo heeft de grote God den koning te kennen gegeven, hoe het hierna zal gaan. Dit is de droom voorzeker en zijne betekenis is gewis.

2:46 Toen viel koning Nebukadnezar op zijn aangezicht en aanbad Dani�l en beval, dat men hem spijsoffer en reukoffer zou brengen.

2:47 En de koning antwoordde Dani�l en sprak: Er is geen twijfel aan, dat uw God een God boven alle goden is en een Heer boven alle koningen, die verborgen dingen kan openbaren, dewijl gij deze verborgen zaak hebt kunnen openbaren.

2:48 En de koning verhoogde Dani�l en gaf hem grote en vele geschenken, en maakte hem tot een vorst over het gehele land van Bábel, en stelde hem tot een overste over al de wijzen van Bábel.

2:49 Doch Dani�l bad den koning, dat hij over de landschappen van Bábel zou stellen Sadrach, Mesach en Abednego; en Dani�l bleef aan het hof des konings.

Daniel 3

3:1 Koning Nebukadnezar liet een gouden beeld maken, zestig el hoog en zes el breed, en liet het zetten in het land van Bábel, in het land Dura.

3:2 En koning Nebukadnezar zond naar de vorsten, heren, landvoogden, rechters, voogden, raadsheren, ambtlieden en alle gezagvoerders in het land, dat zij te zamen zouden komen om het beeld te wijden, hetwelk koning Nebukadnezar had doen oprichten.

3:3 Toen kwamen te zamen de vorsten, heren, landvoogden, rechters, voogden, raadsheren, ambtlieden en alle gezagvoerders in het land om het beeld te wijden, dat koning Nebukadnezar had doen oprichten; en zij moesten voor het beeld treden, dat Nebukadnezar had doen oprichten.

3:4 En een heraut riep overluid: Laat u dit gezegd zijn, gij volken, nati�n en tongen.

3:5 Als gij zult horen het geluid der bazuinen, trompetten, harpen, vedels, psalters, luiten en alle andere speeltuigen, dan zult gij nedervallen en het gouden beeld aanbidden, hetwelk koning Nebukadnezar heeft doen oprichten;

3:6 en wie alsdan niet nedervalt en aanbidt, die zal terstond in den gloeienden oven geworpen worden.

3:7 Toen zij nu hoorden het geluid der bazuinen, trompetten, harpen, vedels, psalters en alle andere speeltuigen, vielen alle volken, nati�n en tongen neder en aanbaden het gouden beeld, hetwelk koning Nebukadnezar had doen oprichten.

3:8 Doch ook terzelfder tijd traden enige Chaldeeuwse mannen toe en klaagden de Joden aan;

3:9 zij spraken en zeiden tot koning Nebukadnezar: Heer, koning, God verlene u een lang leven!

3:10 Gij hebt een gebod laten uitgaan, dat alle mensen, als zij horen zouden het geluid der bazuinen, trompetten, harpen, vedels, psalters, luiten en alle andere speeltuigen, zouden nedervallen en het gouden beeld aanbidden;

3:11 en wie niet nederviel en aanbad, die zou in den gloeienden oven geworpen worden.

3:12 Nu zijn er Joodse mannen, die gij over de ambten in het land van Bábel hebt gesteld, Sadrach, Mesach en Abednego; dezen verachten uw gebed en eren uwe goden niet, en aanbidden het gouden beeld niet, hetwelk gij hebt doen oprichten.

3:13 Toen beval Nebukadnezar in toorn en grimmigheid, dat men Sadrach, Mesach en Abednego V��r hem zou stellen; en die mannen werden V��r den koning gesteld.

3:14 Toen hief Nebukadnezar aan en sprak tot hen: Sadrach, Mesach en Abednego, hebt gij met opzet mijne goden niet ge�erd en het gouden beeld, dat ik heb opgericht, niet aangebeden?

3:15 Welaan, maakt u gereed; zodra gij zult horen het geluid der bazuinen, trompetten, harpen, vedels, psalters, luiten en alle andere speeltuigen, zo valt neder en aanbidt het beeld, hetwelk ik heb laten maken: indien gij het niet zult aanbidden, zult gij terstond in den gloeienden oven geworpen worden; laat zien wie de God is, die u uit mijne hand zal verlossen!

3:16 Toen spraken Sadrach, Mesach en Abednego en zeiden tot koning Nebukadnezar: Het is niet nodig, dat wij u daarop antwoorden.

3:17 Zie, onze God, dien wij eren, kan ons wel verlossen uit den gloeienden oven; ook uit uwe hand, o koning, kan Hij ons verlossen.

3:18 En indien niet, zo zij u bekend, o koning, dat wij evenwel uwe goden niet zullen eren, noch het gouden beeld aanbidden, dat gij hebt doen oprichten.

3:19 Toen werd Nebukadnezar vol grimmigheid en zijn gehele aangezicht veranderde tegen Sadrach, Mesach en Abednego; en hij beval, dat men den oven zevenmaal heter zou maken dan men anders gewoon was te doen.

3:20 En hij gebood enigen der sterkste krijgslieden, die onder zijn heir waren, dat zij Sadrach, Mesach en Abednego zouden binden en in den gloeienden oven werpen.

3:21 Alzo werden deze mannen in hunne mantels, schoenen, hoeden en andere klederen gebonden en in den gloeienden oven geworpen.

3:22 Want des konings gebod moest men terstond volvoeren en men stookte het vuur in den oven zo heet, dat de mannen, die Sadrach, Mesach en Abednego zouden verbranden, door de vlam des vuurs gedood werden.

3:23 De drie mannen nu, Sadrach, Mesach en Abednego, vielen in den gloeienden oven gelijk zij gebonden waren.

3:24 Toen ontzette koning Nebukadnezar zich en stond schielijk op en zeide tot zijne raadsheren: Hebben wij niet drie mannen gebonden in het vuur doen werpen? Zij antwoordden en zeiden tot den koning: Ja, heer koning.

3:25 Hij antwoordde en sprak: Nochtans zie ik vier mannen los in het vuur gaan en er is geen letsel aan hen; en de vierde is als een zoon der goden.

3:26 En Nebukadnezar trad toe voor het hol van den gloeienden oven en sprak: Sadrach, Mesach en Abednego, gij knechten des allerhoogsten Gods, gaat uit en komt hier. Toen kwamen Sadrach, Mesach en Abednego uit het midden des vuurs.

3:27 En de vorsten, heren, voogden en raadsheren des konings kwamen te zamen en zagen, dat het vuur geen macht op de lichamen dezer mannen had gehad, en dat het haar hunner hoofden niet verzengd en hunne mantels niet beschadigd waren, ja men kon zelfs geen brand aan hen ruiken.

3:28 Toen antwoordde Nebukadnezar en sprak: Geloofd zij de God van Sadrach, Mesach en Abednego, die zijn Engel gezonden en zijne knechten gered heeft, die op Hem vertrouwd en des konings gebod niet gehouden, maar hunne lichamen overgegeven hebben, dat zij geen god eren noch aanbidden wilden dan hunnen God alleen.

3:29 Zo zij nu dit mijn gebod: Wie onder alle volken, nati�n en tongen den God van Sadrach, Mesach en Abednego lastert, die zal omkomen en zijn huis zal een puinhoop worden; want er is geen andere god, die zo kan redden als deze.

3:30 En de koning gaf Sadrach, Mesach en Abednego een groot gezag in het land van Bábel.

Daniel 4

4:1 Koning Nebukadnezar aan alle volken, nati�n en tongen, die op den gehelen aardbodem wonen: Uw vrede zij groot:

4:2 Het behaagt mij, dat ik verkondig de tekenen en wonderen, die God, de Allerhoogste, aan mij gedaan heeft.

4:3 Want zijne tekenen zijn groot en zijne wonderen zijn machtig en zijn rijk is een eeuwig rijk en zijne heerschappij duurt immer en altoos.

4:4 Ik, Nebukadnezar, toen ik goede rust had in mijn huis, en het goed gesteld was in mijn hof,

4:5 zag een droom en verschrikte, en de gedachten, die ik op mijn leger had over het gezicht, hetwelk ik gezien heb, bedroefden mij.

4:6 En ik beval, dat al de wijzen van Bábel V��r mij zouden gebracht worden, opdat zij mij zouden zeggen wat die droom beduidde.

4:7 Toen bracht men de sterrenwichelaars, wijzen, Chalde�n en waarzeggers: en ik verhaalde den droom voor hen, maar zij konden mij niet zeggen, wat hij be duidde:

4:8 totdat ten laatste Dani�l V��r mij kwam, die Beltsazar heet, naar den naam mijns gods, die den geest der heilige goden heeft; en ik verhaalde voor hem den droom:

4:9 Beltsazar, gij overste onder de sterrenwichelaars, van wien ik weet, dat gij den geest der heilige goden hebt, en dat u niets verborgen is, zeg het gezicht mijns drooms, dien ik gezien heb en wat hij beduidt.

4:10 En dit is het gezicht, hetwelk ik gezien heb op mijn leger: zie, er stond een boom midden in het land, die was zeer hoog,

4:11 groot en dik; zijne hoogte reikte tot aan den hemel en hij breidde zich uit tot aan het einde des gehelen lands.

4:12 Zijne takken waren schoon en droegen vele vruchten en er was spijs aan voor allen; alle dieren des velds vonden schaduw onder hem en de vogels des hemels zaten op zijne takken en alle vlees voedde zich van hem.

4:13 En ik zag een gezicht op mijn leger, en zie, een heilige wachter kwam van den hemel af,

4:14 die riep overluid aldus, zeggende: Houwt dien boom om en kapt hem de takken af en stroopt hem het loof af en verstrooit zijne vruchten, dat de dieren, die onder hem liggen, weglopen en de vogels van zijne takken wegvliegen;

4:15 doch laat den stam met zijne wortels in de aarde blijven, maar in ijzeren en koperen ketenen op het veld in het gras; hij zal onder den dauw des hemels liggen en nat worden en zal zich voeden met de dieren van de kruiden der aarde.

4:16 En het mensenhart zal van hem genomen en hem zal een dierenhart gegeven worden, totdat zeven tijden over hem zijn voorbijgegaan.

4:17 Dit is in den raad der wachters besloten en in het gesprek der heiligen beraadslaagd; opdat de levenden erkennen, dat de Allerhoogste macht heeft over de koninkrijken der mensen, en ze geeft aan wien Hij wil en de nederigen daartoe verhoogt.

4:18 Zulk een droom heb ik, koning Nebukadnezar, gezien; gij nu Beltsazar, zeg, wat hij beduidt; want al de wijzen in mijn koninkrijk kunnen mij niet bekendmaken, wat hij beduidt, maar gij kunt het wel, want de geest der heilige goden is in u.

4:19 Toen ontzette zich Dani�l, die anders Beltsazar heet, een uur lang en zijne gedachten bedroefden hem; maar de koning sprak: Beltsazar, laat de droom en zijne betekenis u niet bedroeven. Beltsazar antwoordde en sprak: Ach mijn heer, dat toch de droom uwe vijanden en zijne betekenis uwe wederpartijders gold!

4:20 De boom, dien gij gezien hebt, die groot en dik was en welks hoogte tot aan den hemel reikte en die zich over het gehele land uitbreidde,

4:21 en welks takken schoon en welks vruchten vele waren, waar spijs voor allen aan was, zodat de dieren des velds onder hem woonden en de vogels des hemels op zijne takken zaten,

4:22 dat zijt gij, o koning, gij, die zo groot en machtig zijt, want uwe macht is groot en reikt tot aan den hemel en uwe heerschappij gaat tot aan des werelds einde.

4:23 En dat de koning een heiligen wachter gezien, heeft, die van den hemel nederdaalde; en zeide: Houwt dien boom omver en verderft hem, doch laat den stam met zijne wortels in de aarde blijven, maar in ijzeren en koperen ketenen op het veld in het gras en onder den dauw des hemels liggen en nat worden en met de dieren des velds zijn deel hebben, totdat zeven tijden over hem zijn voorbijgegaan;

4:24 dit is de betekenis, heer koning, en deze raad des Allerhoogsten gaat over mijnen heer den koning.

4:25 Men zal u van de mensen verstoten en gij moet bij de dieren des velds blijven en men zal u gras laten eten als de ossen en gij zult onder den dauw des hemels liggen en nat worden, totdat zeven tijden over u zijn voorbijgegaan; opdat gij erkent, dat de Allerhoogste macht heeft over de koninkrijken der mensen en ze geeft aan wien Hij wil.

4:26 En dat er gezegd is, dat men evenwel den stam met de wortels des booms zou laten blijven: Uw koninkrijk zal u blijven, nadat gij zult erkend hebben de macht in den hemel.

4:27 Daarom heer koning, laat u mijn raad behagen en maak u los van uwe zonden door gerechtigheid, en vrij van uw misdaad door weldaad aan de armen: zo zal uwe rust nog lang duren.

4:28 Dit alles wedervoer koning Nebukadnezar.

4:29 Want na twaalf maanden, toen de koning op den koninklijken burg van Bábel wandelde,

4:30 hief hij aan en sprak: Dit is het grote Bábel, dat ik gebouwd heb tot een koninklijk huis door mijne grote macht, ter eer mijner heerlijkheid.

4:31 Eer de koning deze woorden uitgesproken had, viel ene stem van den hemel: U, o koning Nebukadzenar, wordt aangezegd: Uw koninkrijk zal van u genomen worden;

4:32 en men zal u van de mensen verstoten en gij zult bij de dieren des velds blijven; gras zal men u laten eten als de ossen, totdat zeven tijden over u zijn voorbijgegaan; opdat gij erkent, dat de Allerhoogste macht heeft over de koninkrijken der mensen en ze geeft aan wien Hij wil.

4:33 Van stonde aan werd dat woord volbracht over Nebukadnezar en hij werd van de mensen verstoten en hij at gras als de ossen en zijn lichaam lag onder den dauw des hemels en werd nat, totdat zijn haar wies als arendsvederen en zijne nagels werden als vogelklauwen.

4:34 Na dien tijd hief ik, Nebukadnezar, mijne ogen op ten hemel en mijn verstand kwam weder in mij; en ik loofde den Allerhoogste, ik prees en eerde Hem, die eeuwig leeft, wiens macht eeuwig is en wiens rijk immer en altoos duurt;

4:35 bij wien allen, die op de aarde wonen, als niets te achten zijn; Hij maakt het gelijk Hij wil, beiden, met de krachten in den hemel en met hen, die op de aarde wonen, en niemand kan zijne hand weren, noch tot Hem zeggen: Wat doet Gij?

4:36 Op dien tijd kwam mijn verstand weder in mij; ook kwam ik tot mijne koninklijke eer, tot mijne heerlijkheid en tot mijne gestalte, en mijne raadsheren en machtigen zochten mij en ik werd weder in mijn koninkrijk gesteld en ik verkreeg nog groter heerlijkheid.

4:37 Daarom loof ik, Nebukadnezar, en verhoog en prijs den koning des hemels; want al zijn doen is waarheid en zijne wegen zijn recht, en wie trots is, dien kan Hij verootmoedigen.

Daniel 5

5:1 Koning Belsazar maakte een heerlijken maaltijd voor zijne duizend hoofdlieden, en dronk zich vol met hen.

5:2 En toen hij dronken was, liet hij de gouden en zilveren vaten voorbrengen, die zijn vader Nebukadnezar uit den tempel te Jeruzalem had weggevoerd; opdat de koning met zijne machtigen, met zijne vrouwen en met zijne bijwijven daaruit zou drinken.

5:3 Alzo werden voorgebracht de gouden vaten, die uit den tempel, uit het huis Gods te Jeruzalem, genomen waren; en de koning, zijne machtigen, zijne vrouwen en bijwijven dronken daaruit.

5:4 En toen zij alzo dronken, loofden zij de gouden, zilveren, koperen, ijzeren, houten en stenen goden.

5:5 Terzelfder ure kwamen er vingers als van ene mensenhand, die schreven tegenover den kandelaar, op den witgepleisterden wand in de koninklijke zaal, en de koning werd de hand gewaar, die daar schreef.

5:6 Toen verbleekte het gelaat des konings en zijne gedachten verschrikten hem, dat hem de lendenen beefden en de benen sidderden;

5:7 en de koning riep overluid, dat men de wijzen, Chalde�n en waarzeggers zou brengen en liet aan de wijzen van Bábel zeggen: Wie dit schrift lezen en zeggen kan, wat het beduidt, die zal met purper gekleed worden en ene gouden keten aan den hals dragen, en de derde heerser in mijn koninkrijk zijn.

5:8 Toen werden al de wijzen des konings gebracht; maar zij konden noch het schrift lezen, noch de betekenis den koning bekendmaken.

5:9 Daarover verschrikte koning Belsazar nog meer en verloor geheel zijne kleur en zijne machtigen werden beangst.

5:10 Toen trad de koningin vanwege deze zaak van den koning en zijne machtigen in de zaal op en sprak: Heer koning, God verlene u een lang leven. Laat uwe gedachten u niet zo verschrikken en verander uw gelaat zo niet;

5:11 er is een man in uw koninkrijk, die den geest der heilige goden heeft; want in uws vaders tijden werd bij hem verlichting gevonden, schranderheid en wijsheid, gelijk de wijsheid der goden is; en uw vader, koning Nebukadnezar, stelde hem over de sterrenwichelaars, wijzen, Chalde�n en waarzeggers,

5:12 omdat een hoge geest in hem gevonden werd, benevens verstand en schranderheid om dromen uit te leggen, donkere spreuken te raden en verborgen dingen te openbaren, namelijk Dani�l, dien de koning Beltsazar liet noemen; zo roepe men nu Dani�l, die zal zeggen wat het beduidt.

5:13 Toen werd Dani�l voor den koning gebracht; en de koning sprak tot Dani�l: Zijt gij die Dani�l, een der gevangenen uit Juda, die de koning, mijn vader, uit Juda hier gebracht heeft?

5:14 Ik heb van u horen zeggen, dat gij den geest der goden hebt en dat er verlichting, verstand en hoge wijsheid bij u gevonden wordt.

5:15 Nu heb ik voor mij laten ontbieden de verstandigen en wijzen, dat zij dit schrift zouden lezen en mij bekendmaken, wat het beduidt; en zij kunnen mij niet zeggen wat het beduidt.

5:16 Maar van u hoor ik, dat gij de verklaringen kunt geven en het verborgene openbaren; indien gij nu dit schrift kunt lezen en mij te kennen geven, wat het beduidt, zo zult gij met purper gekleed worden en ene gouden keten aan uwen hals dragen en de derde heerser in mijn koninkrijk zijn.

5:17 Toen hief Dani�l aan en sprak tot den koning: Behoud uwe gaven voor uzelf en geef uwe geschenken aan een ander: ik zal nochtans het schrift voor den koning lezen, en hem bekendmaken, wat het beduidt.

5:18 Heer koning, God, de Allerhoogste, heeft uwen vader Nebukadnezar koninkrijk en macht en heerlijkheid gegeven;

5:19 en vanwege deze macht, die hem gegeven was, vreesden en ontzagen hem alle volken, nati�n en tongen: hij doodde, wien hij wilde, hij liet leven, wie hij wilde, hij verhoogde, wien hij wilde, hij vernederde, wien hij wilde.

5:20 Maar toen zijn hart zich verhief en hij trots en hoogmoedig werd, werd hij van den koninklijken troon gestoten en verloor zijne heerlijkheid;

5:21 en hij werd van uit de mensen verstoten en zijn hart werd den dieren gelijk en hij moest bij het wild lopen en at gras gelijk de ossen en zijn lichaam lag onder den dauw des hemels en werd nat; totdat hij leerde, dat God, de Allerhoogste, macht heeft over de koninkrijken der mensen en ze geeft aan wien Hij wil.

5:22 En gij Belsazar, zijn zoon, hebt uw hart niet vernederd, hoewel gij dit alles weet,

5:23 maar hebt u verheven tegen den Heer des hemels, en de vaten van zijn huis heeft men V��r u moeten brengen, en gij, uwe machtigen, uwe vrouwen, uwe bijwijven hebben daaruit gedronken, daarbij de zilveren, gouden, koperen, ijzeren, houten en stenen goden geprezen, die noch zien noch horen noch voelen; maar dien God, die uwen adem en al uwe wegen in zijne hand heeft, hebt gij niet ge�erd:

5:24 daarom is deze hand van Hem gezonden en dit schrift, dat daar getekend staat.

5:25 Dit nu is het schrift, aldaar getekend: Men�, men�, tek�l, ufarsin.

5:26 En dit is de uitlegging der woorden: Men�, dat is: God heeft uw koninkrijk geteld en er een einde aan gemaakt;

5:27 tek�l, dat is: men heeft u in ene weegschaal gewogen en gij zijt te licht bevonden;

5:28 per�s, dat is: uw koninkrijk is verdeeld en den Meden en Perzen gegeven.

5:29 Toen beval Belsazar, dat men Dani�l met purper zou bekleden, en ene gouden keten om zijnen hals doen, en hij liet van hem verkondigen, dat hij de derde heerser in het koninkrijk zou zijn.

5:30 In denzelfden nacht werd Belsazar, de koning der Chalde�n, gedood.

Daniel 6

6:1 En Dar�us uit Medi� aanvaardde het rijk, toen hij twee�nzestig jaar oud was.

6:2 En Dar�us vond goed honderd en twintig landvoogden te stellen over het gehele koninkrijk.

6:3 Over hen stelde hij drie vorsten, waarvan Dani�l ��n was, aan welke deze landvoogden rekenschap moesten geven, opdat de koning geen nadeel leed.

6:4 Dani�l nu overtrof al deze vorsten en landvoogden, want er was een hoge geest in hem; daarom was de koning bedacht om hem over het gehele koninkrijk te stellen.

6:5 Derhalve trachtten de vorsten en landvoogden ene zaak tegen Dani�l te vinden, die tegen het koninkrijk was, maar zij konden geen zaak noch misdaad vinden, want hij was getrouw, zodat men geen schuld noch misdaad aan hem kon vinden.

6:6 Toen zeiden die mannen: Wij zullen geen zaak tegen Dani�l vinden dan in zijnen godsdienst.

6:7 Toen kwamen deze vorsten en landvoogden in menigte voor den koning en zeiden tot hem aldus: Heer koning Dar�us, God verlene u een lang leven.

6:8 De vorsten des koninkrijks, al de heren, de landvoogden, de raadsheren en hoofdlieden hebben beraadslaagd, dat men een koninklijk bevel late uitgaan en een streng gebod stelle, dat wie in dertig dagen iets bidden zal van enigen god of mens, behalve van u, o koning, in den kuil der leeuwen geworpen zal worden.

6:9 Derhalve, o koning, zult gij dit gebod bevestigen en onderschrijven, opdat het niet weder veranderd worde, naar het recht der Meden en Perzen, hetwelk niet mag herroepen worden.

6:10 Alzo onderschreef koning Dar�us dit geschrift en bevel.

6:11 Toen nu Dani�l vernam, dat zulk een gebod ondertekend was, ging hij op in zijn huis; hij nu had in zijne opperzaal open vensters naar de zijde van Jeruzalem; driemaal 's daags boog hij zijne knie�n en bad, loofde en dankte zijnen God, gelijk hij voorheen gedaan had.

6:12 Toen kwamen deze mannen in menigte en vonden Dani�l biddende en smekende voor zijnen God.

6:13 En zij traden toe en spraken voor den koning van des konings gebod: Heer koning, hebt gij niet een gebod ondertekend, dat alwie in dertig dagen iets zal bidden van enigen god of mens, behalve van u, o koning, in den kuil der leeuwen zal geworpen worden? De koning antwoordde en sprak: Het is waar en een recht der Meden en Perzen, dat niet te herroepen is.

6:14 Toen antwoordden en zeiden zij tot den koning: Dani�l, een der gevangenen uit Juda, acht noch u noch uw gebod, hetwelk gij getekend hebt, want hij bidt driemaal 's daags.

6:15 Toen de koning dat hoorde, werd hij zeer bedroefd en deed grote moeite om Dani�l te verlossen: totdat de zon onderging, zocht hij, hoe hij hem zou kunnen redden.

6:16 Maar die mannen kwamen in menigte tot hem, en zeiden tot hem: Gij weet, heer koning, dat het een recht der Meden en Perzen is, dat al de geboden en bevelen, welke de koning besloten heeft, niet kunnen herroepen worden.

6:17 Toen beval de koning, dat men Dani�l zou voorbrengen, en zij wierpen hem in den kuil der leeuwen; maar de koning zeide tot Dani�l: Uw God, dien gij zonder ophouden dient, die helpe u.

6:18 En zij brachten een steen, dien zij legden op den mond des kuils; dezen verzegelde de koning met zijn eigen zegelring en met den zegelring zijner machtigen, opdat niets anders ten aanzien van Dani�l zou geschieden.

6:19 En de koning ging heen op zijnen burg en bleef zonder eten en liet geen spijs voor zich brengen, en hij kon ook niet slapen.

6:20 Des morgens vroeg, toen de dag aanbrak, stond de koning op en ging met spoed naar den kuil, waarin de leeuwen waren.

6:21 En toen hij bij den kuil kwam, riep hij Dani�l toe met ene klagende stem; en de koning sprak tot Dani�l: Dani�l, gij knecht des levenden Gods, heeft uw God, dien gij zonder ophouden dient, u ook kunnen verlossen van de leeuwen?

6:22 En Dani�l sprak tot den koning: Heer koning, God verlene u een lang leven!

6:23 Mijn God heeft zijnen Engel gezonden, die den muil der leeuwen heeft toegesloten, dat zij mij geen leed gedaan hebben; want voor Hem ben ik onschuldig bevonden; ook heb ik tegen u, heer koning, niets misdaan.

6:24 Toen werd de koning zeer blijde, en liet Dani�l uit den kuil trekken; en zij trokken Dani�l op uit den kuil en men bespeurde geen letsel aan hem, want hij had op zijnen God vertrouwd.

6:25 Toen beval de koning de mannen, die Dani�l beschuldigd hadden, voor te brengen en in den kuil der leeuwen te werpen, benevens hunne kinderen en vrouwen; en eer zij beneden op den bodem nederkwamen, grepen de leeuwen hen en verMirzalden al hunne beenderen.

6:26 Toen liet koning Dar�us schrijven aan alle volken, nati�n en tongen: Uw vrede zij groot.

6:27 Dit is mijn bevel, dat men in de gehele heerschappij mijns koninkrijks Dani�ls God zal vrezen en ontzien; want Hij is de levende God, die eeuwig blijft, en zijn koninkrijk is onvergankelijk en zijne heerschappij heeft geen einde;

6:28 Hij is een verlosser en helper in den nood en Hij doet tekenen en wonderen, beide in den hemel en op de aarde: Hij heeft Dani�l van de leeuwen verlost.

6:29 En Dani�l werd machtig onder de regering van Dar�us en ook onder de regering van Kores, den Perzi�r.

Daniel 7

7:1 In het eerste jaar van Belsazar, den koning van Bábel, had Dani�l een droom en gezichten op zijn leger; en hij schreef dien droom op en vermeldde hem aldus:

7:2 Ik, Dani�l, zag een gezicht in den nacht, en zie, de vier winden des hemels stormden tegen elkander op de grote zee.

7:3 En vier grote dieren klommen op uit de zee, het ene anders dan het andere;

7:4 het eerste was als een leeuw en had vleugels als van een arend; ik zag toe, totdat zijne vleugels waren uitgeplukt, en het werd van de aarde opgenomen en het stond op zijne voeten als een mens en aan hetzelve werd een mensenhart gegeven.

7:5 En zie, het tweede dier daarna was als een beer en stond op de ene zijde en het had in zijnen muil tussen zijne tanden drie grote lange tanden; en men zeide tot hem: Sta op en eet veel vlees.

7:6 Na dezen zag ik, en zie, een ander dier, als een luipaard, het had vier vleugels, gelijk van een vogel, op zijnen rug; en dit dier had vier hoofden, en aan hetzelve werd heerschappij gegeven.

7:7 Na dezen zag ik in dit gezicht bij nacht en zie, het vierde dier was gruwelijk en verschrikkelijk en zeer sterk en het had grote ijzeren tanden, het at rondom en verbrijzelde en het overige vertrad het met zijne voeten; het was ook geheel anders dan het overige, en het had tien hoornen.

7:8 Toen ik nu de hoornen aanzag, zie, toen kwam een andere kleine hoorn daartussen op, door welken drie der vorige hoorns werden uitgerukt; en zie, die hoorn had ogen als mensenogen en een mond, die grote dingen sprak.

7:9 Dit zag ik, totdat er tronen gezet werden, en de Onvergankelijke van dagen zette zich neder; diens kleed was wit als sneeuw en het haar op zijn hoofd als reine wol; vlammend vuur was zijn troon, waarvan de raderen brandden van vuur;

7:10 en van Hem ging een lange vurige straal uit, duizendmaal duizend dienden hem en tienduizendmaal tienduizend stonden V��r Hem; het gericht werd gehouden en de boeken werden geopend.

7:11 Toen zag ik toe, wegens de grootsprekende woorden, die deze hoorn sprak; ik zag toe, totdat dit dier gedood werd en zijn lichaam vernield en in het vuur geworpen werd;

7:12 ook aan de overige dieren werd hunne heerschappij ontnomen; want tijd en uur was hun bestemd, hoelang elk zou duren.

7:13 Ik zag in dit gezicht des nachts, en zie, er kwam een in de wolken des hemels, als eens mensen zoon, tot den Onvergankelijke van dagen, en

7:14 hij werd V��r Hem gebracht: en die gaf hem heerschappij, eer en het rijk, dat alle volken, nati�n en tongen hem zouden dienen; zijn heerschappij is eeuwig en vergaat nooit en zijn koninkrijk heeft geen einde.

7:15 Ik, Dani�l, ontzette mij daarover en dat gezicht verschrikte mij.

7:16 En ik ging tot een dergenen, die daar stonden, en bad hem, dat hij mij van dat alles een zeker bericht zou geven; en hij sprak tot mij en gaf mij te kennen wat het beduidde:

7:17 Deze vier grote dieren zijn vier rijken, die op de aarde zullen komen.

7:18 Maar de heiligen des Hoogsten zullen het rijk innemen en zullen het altoos en eeuwiglijk bezitten.

7:19 Daarna verlangde ik naar een zeker bericht aangaande het vierde dier, dat geheel anders was dan al de anderen, dat verschrikkelijke, dat ijzeren tanden en koperen klauwen had, dat rondom zich at en verbrijzelde en het overige met zijne voeten vertrad;

7:20 en aangaande de tien horens op zijn hoofd en dien anderen, die voortkwam, door welken er drie afvielen, dien hoorn namelijk, die ogen had en een mond, die grote dingen sprak en groter was dan die nevens hem waren.

7:21 En ik zag dien hoorn strijden tegen de heiligen en hij behaalde de overwinning op hen,

7:22 totdat de Onvergankelijke van dagen kwam en het gericht hield voor de heiligen des Hoogsten, en de tijd kwam, dat de heiligen het rijk innamen.

7:23 Toen sprak hij aldus: Het vierde dier zal het vierde rijk zijn op aarde, hetwelk machtiger zal zijn dan alle rijken; het zal alle landen verslinden, vertreden en verbrijzelen.

7:24 De tien horens beduiden tien koningen, die uit dat rijk zullen opstaan; maar na hen zal een ander opkomen, die zal machtiger zijn dan een der vorige, en zal drie koningen vernederen.

7:25 Hij zal den Hoogste lasteren, en de heiligen des Hoogsten verdrukken, en hij zal zich onderstaan om de tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in zijne hand overgegeven worden voor een tijd en twee tijden en een halve tijds.

7:26 Daarna zal het gericht gehouden worden; dan zal men zijne heerschappij wegnemen, dat hij voor goed verdelgd en vernield worde.

7:27 Maar het rijk, de heerschappij en de macht onder den gehelen hemel zal aan het heilige volk des Hoogsten gegeven worden, wiens rijk eeuwig is, en alle heerschappijen zullen Hem dienen en gehoorzamen.

7:28 Dit was het einde dezer rede. Ik, Dani�l, nu werd zeer bedroefd door mijne gedachten en mijne gedaante verviel; echter behield ik dat woord in mijn hart.

Daniel 8

8:1 In het derde jaar de regering van koning Belsazar verscheen mij, Dani�l, een gezicht na datgene, hetwelk mij in het eerst verschenen was.

8:2 Ik nu was, toen ik dat gezicht zag, op den burg Susan, in het land Elam, aan de rivier Ulai.

8:3 En ik hief mijne ogen op en zag, en zie, V��r die rivier stond een ram, die twee hoge hoornen had, doch de ene was hoger dan de andere, en de hoogste kwam het laatst op.

8:4 Ik zag, dat die ram met de hoornen stiet naar het Westen, naar het Noorden en naar het Zuiden; en geen dier kon tegen hem standhouden noch uit zijne macht gered worden; en hij deed wat hij wilde en maakte zich groot.

8:5 En terwijl ik daarop lette, zie, toen kwam er een geitebok van het Westen op over de gehele aarde en hij raakte de aarde niet aan; en die bok had een aanzienlijken hoorn tussen zijne ogen.

8:6 En hij kwam tot den ram, die twee hoornen had, dien ik zag staan V��r de rivier, en hij liep in zijnen toorn geweldig op hem aan;

8:7 en ik zag, dat hij zeer dicht bij den ram kwam en zich tegen hem vertoornde en den ram stiet en zijne twee hoornen verbrak; en de ram had geen kracht om tegen hem te kunnen standhouden, maar hij wierp hem ter aarde en vertrad hem en niemand kon den ram uit zijne macht redden.

8:8 En de geitebok werd zeer groot; en toen hij op zijn sterkst geworden was, brak die grote hoorn en in zijne plaats kwamen vier andere aanzienlijke op, naar de vier winden des hemels.

8:9 En uit een daarvan kwam een kleine; hoorn voort, die werd zeer groot, tegen het Zuiden, tegen het Oosten en tegen het gewenste land.

8:10 En hij groeide tot aan het heir des hemels en hij wierp er enigen van dat heir, namelijk van de sterren, ter aarde neder,

8:11 en vertrad ze; ja hij groeide tot aan den vorst van dat heir, en nam van hem weg het dagelijks offer, en vernielde de woning zijns heiligdoms.

8:12 Maar hem werd die macht gegeven tegen het dagelijks offer wegens de zonde; hij wierp de waarheid ter aarde en wat hij deed, gelukte hem.

8:13 Toen hoorde ik een heilige spreken en deze heilige zeide tot hem, die sprak: Hoelang zal toch dat gezicht van het dagelijks offer en van de zonde duren, om welke deze verwoesting geschiedt, dat beiden, het heiligdom en het heir, vertreden worden?

8:14 En hij antwoordde mij: Het zijn tweeduizend en driehonderd dagen, te rekenen van den avond af tot den morgen toe; dan zal het heiligdom weder gereinigd worden.

8:15 En toen ik, Dani�l, dat gezicht zag, en het zocht te verstaan, zie, toen stond er een V��r mij in de gedaante van een man.

8:16 En ik hoorde tussen Ulai de stem eens mensen, die riep en sprak: Gabri�l, leg dezen het gezicht uit, opdat hij het versta.

8:17 En hij kwam zeer dicht bij mij; ik nu verschrikte, toen hij kwam, en viel op mijn aangezicht. Maar hij zeide tot mij: Gij mensekind, merk op; want dit gezicht behoort tot den tijd van het einde.

8:18 En toen hij met mij sprak, viel ik in onmacht op mijn aangezicht ter aarde; maar hij raakte mij aan, en richtte mij op, dat ik stond.

8:19 En hij sprak: Zie, ik wil u te kennen geven, hoe het zal gaan in den laatsten tijd van den toorn; want het einde heeft zijn bestemden tijd.

8:20 De ram, dien gij gezien hebt, met de twee hoornen, zijn de koningen van Medi� en Perzi�.

8:21 En de geitebok is de koning van Griekenland; de grote hoorn tussen zijne ogen is de eerste koning.

8:22 En dat er vier in zijne plaats stonden, toen hij verbroken was, beduidt, dat er vier koninkrijken uit dat volk zullen ontstaan, echter niet zo machtig als hij was.

8:23 Na deze koninkrijken, als de overtreders de overhand zullen nemen, zal er een wreed en arglistig koning opstaan;

8:24 die zal machtig zijn, nochtans niet door zijne kracht; hij zal wonderbare verwoesting aanrichten en het zal hem gelukken, dat hij het uitvoert; hij zal de machtigen benevens het heilige volk vernielen;

8:25 en door zijne schranderheid zal hem de bedriegerij gelukken en hij zal zich in zijn hart verheffen en in vollen vrede zal hij velen vernielen en hij zal opstaan tegen den Vorst aller vorsten; maar hij zal zonder hand verbroken worden.

8:26 Dit gezicht van den avond en den morgen, wat daarvan gezegd is, dat is waar; gij nu zult dit gezicht verborgen houden, want het is nog een lange tijd.

8:27 En ik, Dani�l, werd zwak en lag enige dagen krank; daarna stond ik op en verrichtte des konings zaken en verwonderde mij over dat gezicht; en er was niemand, die het begreep.

Daniel 9

9:1 In het eerste jaar van Dar�us, den zoon van Ahasveros, uit den stam der Meden, die koning werd over het koninkrijk der Chalde�n;

9:2 in het eerste jaar zijner regering merkte ik, Dani�l, in de boeken het getal der jaren op, van welke de Heer gesproken had tot den profeet Jeremia, dat Jeruzalem zeventig jaren woest zou liggen.

9:3 En ik keerde mij tot God den Heer, om te bidden en te smeken, met vasten, in zak en as;

9:4 en ik bad tot den Heer mijnen God en deed schuldbelijdenis en sprak: Ach Heer, Gij grote en geduchte God, Gij, die het verbond en de genade houdt aan hen, die U liefhebben en uwe geboden onderhouden:

9:5 wij hebben gezondigd en onrecht gedaan, wij zijn goddeloos geweest en afvallig geworden, wij zijn van uwe geboden en rechten afgeweken;

9:6 wij hoorden niet naar uwe knechten de profeten, die in uwen naam spraken tot onze koningen, vorsten en vaders en tot het ganse volk in het land.

9:7 Gij, Heer, zijt rechtvaardig, maar wij moeten ons schamen; gelijk het gaat met de mannen van Juda, met die van Jeruzalem en met geheel Isra�l, beiden, die nabij en die verre zijn, in alle landen waarheen Gij hen verstoten hebt wegens hunne misdaad, welke zij tegen U begaan hebben.

9:8 Ja Heer, wij, onze koningen, onze vorsten en onze vaders moeten ons schamen, omdat wij tegen U gezondigd hebben.

9:9 Maar bij U, Heer onze God, is barmhartigheid en vergeving, ofschoon wij afvallig zijn geworden;

9:10 wij hoorden niet naar de stem van den Heer onzen God, om te wandelen naar zijne wet, die Hij ons voorlegde door zijne knechten, de profeten.

9:11 Ja geheel Isra�l overtrad uwe wet en zij weken af, dat zij naar uwe stem niet hoorden; daarom treft ons ook de vloek en eed, die geschreven staat in de wet van Mozes, den knecht Gods, omdat wij tegen Hem gezondigd hebben;

9:12 en Hij heeft zijne woorden gehouden, die Hij tegen ons gesproken heeft en tegen onze rechters, die ons zouden richten, dat Hij over ons zulk een groot ongeluk heeft doen komen, zodat nimmer onder den gehelen hemel geschied is gelijk aan Jeruzalem is geschied.

9:13 Gelijk geschreven staat in de wet van Mozes, zo is al dat ongeluk over ons gekomen; wij baden ook niet voor den Heer, onzen God, opdat wij ons van onze zonden mochten bekeren en achtgeven op uwe waarheid.

9:14 Daarom is de Heer ook ontwaakt om dit ongeluk over ons te brengen; want de Heer, onze God, is rechtvaardig in al zijne werken, die Hij doet, maar wij hoorden naar zijne stem niet.

9:15 En nu, Heer, onze God, Gij, die uw volk uit Egypteland gevoerd hebt met een sterke hand en U een naam hebt gemaakt, gelijk hij nu is: ja, wij hebben gezondigd en zijn goddeloos geweest.

9:16 Ach Heer, om al uwe gerechtigheid, wend toch uwen toorn en uwe grimmigheid af van uwe stad Jeruzalem en van uwen heiligen berg; want wegens onze zonden en de misdaad onzer vaderen draagt Jeruzalem en uw volk versmaadheid bij allen, die rondom ons zijn.

9:17 En nu, o onze God, hoor het gebed uws knechts en zijne smeekingen en zie uw heiligdom, dat verwoest is, genadig aan, om des Heren wil.

9:18 Neig uwe oren, o mijn God, en hoor; open uwe ogen en zie, hoe wij verwoest zijn en de stad, die naar uwen naam genoemd is; want wij liggen met ons gebed voor U niet op onze gerechtigheid, maar op uwe grote barmhartigheid.

9:19 Ach Heer, hoor; ach Heer, wees genadig; ach Heer, merk op en doe het en vertoef niet, om uwszelfs wil, o mijn God; want uwe stad en uw volk zijn naar uwen naam genoemd.

9:20 Terwijl ik nog zo sprak en bad en mijne zonde en de zonde van mijn volk Isra�l bekende en met mijn gebed voor den Heer, mijnen God, lag, vanwege den heiligen berg mijns Gods;

9:21 terwijl ik nog sprak in mijn gebed, vloog tot mij de man Gabri�l, dien ik voorheen gezien had in het gezicht, en raakte mij aan, omtrent den tijd van het avondoffer;

9:22 en hij onderrichtte mij en sprak tot mij en zeide: Dani�l, nu ben ik uitgegaan om u te onderrichten.

9:23 Want toen gij begont te bidden, ging dit bevel uit, en ik kom om het u te kennen te geven, want gij zijt een geliefde; geef dan nu acht op dit woord, opdat gij dit gezicht verstaat.

9:24 Zeventig weken zijn bestemd over uw volk en over uwe heilige stad; dan zal de overtreding geweerd en de zonde verzegeld en de misdaad verzoend en de eeuwige gerechtigheid aangebracht en de gezichten en profeti�n verzegeld en een allerheiligste gezalfd worden.

9:25 Zo weet nu en geef acht: van dien tijd af als het bevel uitgaat, dat Jeruzalem zal herbouwd worden, tot op den vorst Messias zijn zeven weken en twee�nzestig weken: dan zullen de straten en muren herbouwd worden, hoewel in een benauwden tijd.

9:26 En na die twee�nzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden en niet meer zijn; en het volk van een vorst, die komen zal, zal de stad en het heiligdom verwoesten, dat het een einde zal nemen als door een vloed; en tot het einde van den strijd toe zal het woest blijven.

9:27 En hij zal velen het verbond versterken ��ne week lang; en midden in de week zal het slachtoffer en spijsoffer ophouden; en bij de vleugels zullen staan gruwelen der verwoesting, en het is besloten, totdat het vast besloten verderf zal uitgestort worden over de verwoesting.

Daniel 10

10:1 In het derde jaar van Kores, den koning van Perzi�, werd aan Dani�l, ook Beltsazar genaamd, ene zaak geopenbaard, die waarachtig is en van groot belang; en hij gaf er acht op en verstond het gezicht.

10:2 In dien tijd was ik, Dani�l, treurig drie weken lang;

10:3 ik at geen aangename spijs, vlees en wijn kwam niet in mijnen mond, ook zalfde ik mij nooit, totdat de drie weken om waren.

10:4 Op den vierentwintigsten dag der eerste maand was ik bij de grote rivier Hidd�kel,

10:5 en hief mijne ogen op en zag, en zie, daar stond een man in linnen gekleed en had een gouden gordel om zijne lendenen;

10:6 zijn lichaam was als een turkoois, zijn aangezicht was den bliksem gelijk, zijne ogen waren als vurige fakkels, zijne armen en voeten als gepolijst koper en zijne stem was als van een groot gedruis.

10:7 Ik nu, Dani�l, zag all��n dat gezicht en de mannen, die bij mij waren, zagen het niet: echter viel op hen ene grote verschrikking, zodat zij vloden en zich verborgen.

10:8 En ik bleef all��n en zag dit grote gezicht, en er bleef geen kracht in mij en mijn gelaat werd bleek en ik had geen kracht meer.

10:9 En ik hoorde zijne woorden; en toen ik die hoorde, viel ik bedwelmd neder op mijn aangezicht ter aarde.

10:10 En zie, ene hand raakte mij aan en hielp mij op de knie�n en op de handen.

10:11 En hij sprak tot mij: Dani�l, gij lieveling, merk de woorden op, die ik tot u zal spreken, en richt u op, want ik ben nu tot u gezonden. En toen hij zo tot mij sprak, richtte ik mij op en beefde zeer.

10:12 En hij sprak tot mij: Vrees niet, Dani�l; want van den eersten dag af, dat gij uw hart steldet om te verstaan, en u te verootmoedigen voor uwen God, zijn uwe woorden verhoord en ik ben om uwentwil gekomen.

10:13 Maar de vorst van het koninkrijk van Perzi� heeft mij ��nentwintig dagen tegenstand geboden, en zie, Micha�l, een der voornaamste vorsten, kwam mij te hulp; toen behield ik de overwinning over den koning van Perzi�.

10:14 Maar nu kom ik om u te berichten, hoe het uw volk hierna zal gaan; want het gezicht zal eerst na enigen tijd vervuld worden.

10:15 En toen hij zo tot mij sprak, boog ik mijn aangezicht ter aarde en zweeg stil.

10:16 En zie, een, gelijk een mens, raakte mijne lippen aan: toen deed ik mijnen mond open en sprak en zeide tot dengene, die V��r mij stond: Mijn Heer, mijne gewrichten beven mij van dat gezicht en ik heb geen kracht meer;

10:17 en hoe kan de knecht mijns Heren met mijnen Heer spreken; dewijl er geen kracht meer in mij is en ik ook geen adem meer heb?

10:18 Toen raakte een, in de gedaante van een mens, mij wederom aan en versterkte mij

10:19 en sprak: Vrees niet, gij lieveling, vrede zij met u, schep moed, schep moed. En terwijl hij aldus tot mij sprak, gevoelde ik mij gesterkt en zeide: Dat mijn Heer spreke, want gij hebt mij gesterkt.

10:20 En hij sprak: Weet gij ook, waarom ik tot u gekomen ben? Nu zal ik wederkeren en met den vorst van Perzi� strijden; en als ik zal uitgegaan zijn, zie, dan zal de vorst van Griekenland komen.

10:21 Doch ik zal u te kennen geven wat er geschreven is, hetwelk waarachtig zal geschieden; en er is niemand, die mij helpt tegen hen, dan uw vorst Micha�l.

Daniel 11

11:1 Ook ik stond hem bij in het eerste jaar van Dar�us, den Medi�r, om hem te helpen en te versterken.

11:2 En nu zal ik u te kennen geven hetgeen waarachtig zal geschieden. Zie, er zullen nog drie koningen in Perzi� opstaan en de vierde zal groten rijkdom hebben, meer dan allen; en als hij in zijnen rijkdom op het machtigst is, zal hij alles verwekken tegen het koninkrijk van Griekenland.

11:3 Daarna zal er een machtig koning opstaan en met grote macht heersen; en wat hij wil, dat zal hij uitvoeren.

11:4 En als hij op het hoogste gekomen is, zal zijn rijk verbroken en in de vier winden des hemels verdeeld worden, doch niet onder zijne nakomelingen, ook niet met zulk ene macht als de zijne geweest is; want zijn rijk zal uitgeroeid en aan vreemden ten deel worden.

11:5 En de koning van het zuiden, die een van zijne vorsten is, zal machtig worden; maar tegen dien zal er ook een machtig zijn en heersen en zijne heerschappij zal groot zijn.

11:6 En na enige jaren zullen zij zich met elkander vermaagschappen en de dochter des konings van het Zuiden zal komen tot den koning van het Noorden om alles te vereffenen; maar de macht van haren arm zal haar niet bijblijven, en hij en zijn arm zal ook geen stand houden, maar zij zal prijsgegeven worden, tegelijk met degenen, die haar gebracht hebben, en hem, die haar verwekt en dengene, die haar een wijle tijds machtig heeft gemaakt.

11:7 Maar een der spruiten van haren stam zal opkomen, die zal komen met een machtig heir en den koning van het Noorden in zijne sterkten overvallen en hij zal het uitvoeren en de overwinning behalen.

11:8 Ook zal hij hunne goden en beelden, benevens de kostelijke kleinodi�n, zo van zilver als goud, wegvoeren naar Egypte en enige jaren staande blijven tegen den koning van het Noorden.

11:9 En deze zal optrekken in het rijk van den koning van het Zuiden, maar weder in zijn land terugtrekken.

11:10 Maar zijne zonen zullen toornig worden en grote heirlegers bijeenbrengen; en een van hen zal komen en als een vloed daarheen vloeien en den strijd hervatten tot aan zijne vesting.

11:11 Dan zal de koning van het Zuiden toornig worden en uittrekken en tegen den koning van het Noorden strijden en zulk ene grote menigte bijeenbrengen, dat die andere menigte in zijne hand zal gegeven worden.

11:12 En hij zal die menigte wegvoeren, daarover zal zijn hart zich verheffen, omdat hij zovele duizenden ternedergeveld heeft. Maar daarmede zal hij hen toch niet overweldigen;

11:13 want de koning van het Noorden zal wederom ene menigte, groter dan de vorige was, bijeenbrengen en na enige jaren zal hij optrekken met een groot heirleger en met vele lastdieren.

11:14 En in dien tijd zullen velen zich kanten tegen den koning van het Zuiden; ook zullen enige afvalligen uit uw volk opstaan om de profetie te vervullen, maar zullen ten val geraken.

11:15 Alzo zal de koning van het Noorden optrekken en wallen opwerpen en vaste steden innemen; en de heiren van het Zuiden zullen het niet kunnen beletten en zijn beste volk zal geen tegenstand kunnen bieden.

11:16 Maar hij zal, als hij tegen hem komt, zijnen wil doen en niemand zal hem kunnen weerstaan; hij zal ook in het gewenste land komen en zal het uitvoeren door zijne hand.

11:17 Daarna zal hij zijn aangezicht stellen om met de macht van zijn gehele koninkrijk te komen; doch hij zal zich met hem verzoenen en zal hem zijne dochter ten huwelijk geven, maar om hem te verderven; doch het zal hem niet gelukken en er zal niets van worden.

11:18 Daarna zal hij zich keren tot de eilanden en er vele van overwinnen; maar een veldheer zal hem leren met zijne versmading op te houden en die versmading op hem zelven doen terugkeren.

11:19 Alzo zal hij zich weder keren naar de sterkten zijns lands en hij zal struikelen en vallen, dat men hem nergens meer zal vinden.

11:20 En in zijne plaats zal er een opstaan, die enen geldafperser door zijn heerlijk rijk zal doen doortrekken; maar na weinige dagen zal hij verbroken worden, nochtans niet door toorn noch door oorlog.

11:21 En in zijne plaats zal er een verachte opstaan, voor wien de heerlijkheid der koninkrijks niet bestemd was; die zal midden in den vrede komen en hij zal het koninkrijk met zoete woorden innemen.

11:22 En de heiren, die gelijk een vloed daarheen vloeien, zullen door hem als door een vloed overvallen en verbroken worden; alsook de vorst, met wien het verbond gemaakt was.

11:23 Want, nadat hij met hem vermaagschapt is, zal hij arglistig met hem handelen en zal optrekken en met weinig volk hem overweldigen.

11:24 En het zal hem gelukken, dat hij in de steden des lands zal komen, en doen hetgeen zijne vaders en zijne voorouders niet gedaan hebben, met roven, plunderen en buitmaken; en hij zal naar de allersterkste steden staan; dit alles echter slechts voor een tijd.

11:25 En hij zal zijne macht en zijn hart tegen den koning van het Zuiden richten met een groot heirleger; dan zal de koning van het Zuiden getergd worden tot den strijd met een groot en machtig heirleger; maar hij zal geen stand houden, want men zal verraad tegen hem smeden.

11:26 En zelfs die zijn brood eten, zullen hem helpen verderven en zijn heir overvallen, zodat er zeer velen verslagen worden

11:27 En beide deze koningen zullen bedacht zijn in hun hart, hoe zij elkander schade zullen doen, en zullen echter, aan ��ne tafel zittende, leugen tot elkander spreken; maar het zal hun mislukken, want het einde is nog tot een anderen tijd bestemd.

11:28 Daarna zal hij weder naar huis trekken met grote goederen en zijn hart wenden tegen het heilig verbond; als hij dit uitgevoerd heeft, zal hij weder terugkeren naar zijn land.

11:29 Daarna zal hij op een bekwamen tijd weder tegen het Zuiden optrekken; echter zal het hem deze laatste maal niet gelukken gelijk de eerste maal.

11:30 Want er zullen schepen uit Kittim tegen hem komen, dat hij versagen zal en weder moet terugkeren; dan zal hij tegen het heilige verbond toornig worden en zal het uitvoeren; en hij zal omzien en tot zich trekken degenen, die het heilige verbond verlaten.

11:31 En zijne heiren zullen daar staan, die het heiligdom in de vesting ontheiligen en het dagelijks offer wegdoen en een gruwel der verwoesting oprichten.

11:32 En hij zal huichelen en den goddelozen, die het verbond overtreden, goede woorden geven, maar het volk, dat zijnen God kent, zal moed grijpen en het uitvoeren.

11:33 En de verstandigen onder het volk zullen velen onderwijzen; doch zij zullen vallen door het zwaard, door het vuur, door ballingschap en door beroving, een tijd lang.

11:34 En als zij zullen vallen, zullen zij evenwel nog ene kleine hulp ontvangen; doch velen zullen zich bedriegelijk bij hen voegen.

11:35 En van de verstandigen zullen er enige vallen, opdat zij beproefd, rein en louter worden, totdat het een einde zal hebben; want er is nog een andere tijd voorhanden.

11:36 En deze koning zal doen wat hij wil en zal zichzelf verheffen en opwerpen tegen alles wat god is, en tegen den God aller goden zal hij lastertaal spreken; en het zal hem gelukken, totdat de toorn zal voleindigd zijn; want het is vast besloten en zal geschieden.

11:37 En de goden zijner vaderen zal hij niet achten; hij zal noch vrouwenliefde noch enigen god achten; want hij zal zich boven alles verheffen.

11:38 Maar in plaats daarvan zal hij den god der vestingen eren; want hij zal een god, van welken zijne vaders niet geweten hebben, eren met goud, zilver, edelgesteenten en kleinodi�n.

11:39 En hij zal de vestingen versterken met dien god; en dengenen, die dezen erkennen, zal hij grote eer aandoen en hen tot heren maken over grote goederen en hun land toedelen tot beloning.

11:40 En op den tijd van het einde zal de koning van het Zuiden met de hoornen tegen hem stoten; en de koning van het Noorden zal tegen hem aanrukken met wagens, ruiters en vele schepen; en hij zal in de landen vallen en die verderven en doortrekken.

11:41 Hij zal ook in het gewenste land vallen en velen zullen omkomen; doch dezen zullen uit zijne hand ontkomen: Edom, Moab en de voornaamste der kinderen Ammons.

11:42 En hij zal zijne hand uitstrekken naar de landen en Egypte zal hem niet ontkomen,

11:43 maar hij zal heersen over de gouden en zilveren schatten en over alle kleinodi�n van Egypte; en Libyers en Moren zullen in zijn leger zijn.

11:44 Maar een gerucht uit het Oosten en Noorden zal hem verschrikken en hij zal met grote grimmigheid uittrekken, met het voornemen om velen te verwoesten en te vernielen;

11:45 en hij zal zijne koninklijke tent opslaan tussen de zee�n tegen den heerlijken, heiligen berg, totdat het met hem een einde neemt en niemand zal hem helpen.

Daniel 12

12:1 In dien tijd zal de grote vorst Micha�l, die uw volk voorstaat, zich opmaken; want het zal zulk een droevige tijd zijn, als er nog niet geweest is, sedert er een volk bestond, tot op dezen tijd toe; doch in dien tijd zal uw volk verlost worden, allen die in het boek geschreven staan.

12:2 En velen dergenen, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, sommigen tot een eeuwig leven en sommigen tot eeuwige versmaadheid en schande.

12:3 De leeraars nu zullen lichten als des hemels glans en die velen tot gerechtigheid geleid hebben als de sterren altoos en eeuwiglijk.

12:4 En nu, Dani�l, verberg deze woorden en verzegel dit geschrift, tot op den laatsten tijd, dan zullen velen het onderzoeken en grote wijsheid daarin vinden.

12:5 En ik, Dani�l, zag, en zie, er stonden nog twee anderen, de een op dezen oever der rivier en de ander op genen oever.

12:6 En hij sprak tot den man, met linnen bekleed, die boven op het water was: Hoelang zal het duren, tot deze wonderbare dingen een einde zullen hebben?

12:7 En ik luisterde naar dien man, met linnen bekleed, die boven op het water was, en hij hief zijne rechter [hand] en linkerhand op naar den hemel en zwoer bij Hem, die eeuwig leeft, dat het een tijd en twee tijden en een halven tijd zou duren; en als de verstrooiing van het heilige volk een einde zou hebben, dat dan dit alles voleindigd zou worden.

12:8 En ik hoorde dit, maar ik verstond het niet, en zeide: Mijn Heer, hoe zal het daarna gaan?

12:9 Maar hij sprak: Ga heen, Dani�l; want het is verborgen en verzegeld tot op den laatsten tijd.

12:10 Velen zullen gereinigd, gelouterd en beproefd worden; en de goddelozen zullen een goddeloos gedrag houden, en de goddelozen zullen het niet achten, maar de verstandigen zullen het achten.

12:11 En van dien tijd af, dat het dagelijks offer weggedaan en er een gruwel der verwoesting geplaatst wordt, zullen duizend tweehonderd en negentig dagen zijn.

12:12 Welgelukzalig is hij, die verbeidt en bereikt duizend driehonderd vijfendertig dagen.

12:13 Maar gij, Dani�l, ga heen, totdat het einde komt, en rust, om op te staan tot uw deel aan het einde der dagen.


Table of Contents: Albanian :Arabic :Belarusian :Bulgarian :Chinese_Simplified :Chinese_Traditional :Danish :Dutch :English :French :German :Hungarian :Íslenska :Italian :Japanese :Korean :Latvian :Norwegian :Persian :Polish :Portuguese :Romanian :Russian :Spanish :Swedish :Turkish :Ukrainian :